Posts tonen met het label beleid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label beleid. Alle posts tonen

donderdag, april 12, 2007

"'Eerlijk en solidair toerisme" op de DGOS agenda

Volgens "Dimensie 3," het blad van de officiële Belgische ontwikkelingssamenwerking (DGOS = directie generaal voor ontwikkelingssamenwerking), kan "eerlijk en solidair toerisme een voorbeeld zijn van eerlijke handel in de dienstensector." Dat schrijven ze in hun maart-april nummer. Ze maken de juiste vaststellingen (bedrijven uit het noorden gaan met te groot deel van de koek lopen, er zijn veel negatieve en ontwrichtende factoren bij het toerisme in het zuiden) maar het artikel stelt geen echte oplossingen voor andere dan goedbedoelende maar vrijblijvende oproepen voor wederzijds respect en "de wil om de ander beter te leren kennen."

Alsof we met halfzachte 'goede bedoelingen' de wind gaan keren? Ook haalt het artikel aan wat het Europees parlement over de kwestie verklaarde: "touroperators moeten aangespoort om zoveel mogelijk gebruik te maken van plaatselijk materiaal en personeel, ook het management." Alsof autoregulatieve maatregelen ooit zoden aan de dijk brengen... En bovendien, het parlement is de Commissie niet hé, en die hanteert een heel andere agenda, lees: 'liberaliseringsagenda.'

In een tweede artikel (blz.13 van dezelfde editie) "En als toerisme en ontwikkeling nu eens samengingen" schrijft Dimensie 3 over een interessant project dat DGOS en Buitenlandse Zaken samen met onze vrienden van 'Tourisme Autrement.' Ze brachten deze overheden en de ambassades van een aantal landen uit het zuiden bij elkaar om op hun resp. stands op het vakantiesalon aandacht te besteden aan een duurzame ontwikkeling van hun toerisme. Op de laatste bijeenkomst van het Europese TEN-netwerk, eind mei 2006 in Beieren, vertelde Marie-Paule Eskenazi van Tourisme Autrement al over hun initiatief. Een aanpak die twee belangrijke troeven heeft: door ontwikkelingssamenwerking erbij te betrekken komt er binnen die dienst aandacht voor de broodnodige steun die het zuiden nodig heeft om zijn eigen toerisme industrie te ontwikkelen. Door de ambassades van de landen erbij te halen worden lokale overheden er op gewezen dat er hier interesse is voor die ontwikkelingen. En dat kan een belangrijke stimulans zijn om het in hun ontwikkelingsprogramma's in te schrijven.

Interessante linken uit het eerste artikel:
www.minkafairtrade.com (Peruaanse fair-trade organisatie die een toeristisch bedrijf oprichtte waarbij reizigers de effecten van eerlijke handelin Peru zelf kunnen komen vaststellen)
Dossier over solidair toerisme op site van Fair Trade Centre (Een onderzoek van de universiteit van Luik over eerlijke handel waar verschillende keren naar fair-trade toerisme wordt gerefereerd)

donderdag, maart 29, 2007

Kritische Journalistiek in het toerisme-wereldje

Nooit gedacht dat de Vacature me zo aangenaam zou verassen. Het artikel "Safaritoerisme" op blz 24 van vorige week doet dat. Doorgaans blinken reisreportages niet uit van originaliteit. Als er al een kritische noot in te bespeuren valt dan gaat het over het comfort voor de toerist of de 'value for money'. Nico Schoofs deed het anders. Hij bezocht de Keniaanse Safariparken met een andere invalshoek. De vraag die hij zich stelde: "blijven de meeste safaridollars aan buitenlandse vingers kleven?" Een zelfde vraag kan je stellen in tientallen arme landen in het zuiden. De realiteit is helaas zo dat de winsten van de grootste bedrijfssector ter wereld grotendeels in het noorden worden gemaakt.

Journalist Nico Schoofs gaat onder meer na hoeveel de lokale arbeiders verdienen. Enkele jaren geleden liet de Britse ngo Tourism Concern een onderzoek uitvoeren naar de loon- en arbeidsvoorwaarden in de toeristische sector. De conclusies van het met Europees geld gefinancierde rapport waren - niet verassend- vernietigend. Ook de lonen die Schoofs vernoemd zijn niet denderend. Het is niet zo dat de kosten voor levensonderhoud in Kenia zoveel lager zijn als bij ons en vele mensen proberen met meerdere jobs de eindjes aan elkaar te knopen. De wildparken zijn dan nog ongeveer het enige onderdeel van het toerisme waarover de controle in binnenlandse handen ligt. Nico Schoofs haalt een onderzoek aan door de universiteit van Moi. De resultaten liegen er niet om: de grootverdieners zijn de touroperatoren, luxe-hotels en vervoersmaatschappijen. En die zijn haast allemaal in buitenlandse handen. En als het gaat over werkgelegenheid, hét argument dat steeds wordt aangehaald, dan blijkt het vrijwel uitsluitend te gaan om ongeschoolde en slecht betaalde arbeidersjobs. Het managment komt meestal uit het buitenland. Met de traditionele minderheden is het doorgaans nog erger gesteld. Het zelfde onderzoek vermeldt ook dat amper 2% van alle inkomsten uit het Maasai Mara Park terugvloeit naar de Maasai-stam.

Het feit dat de Keniaanse overheid een planning heeft voor zijn toerisme sector is goed. Dat blijkt tenminste uit het gesprek van de journalist met de directeur van de Kenya Wildlife Service. Maar waar is de inspraak met de bevolking? Waar zijn de impactstudies op sociaal en ecologisch vlak? In veel gevallen blijkt ook dat de lokale overheden waterdrager zijn voor de internationale investeerders. Vaak worden ze daartoe gedwongen door de internationale financiële instellingen en hun agenda van economische globalisering.

Schoofs stelde ook vast dat de Europese Unie zwaar investeert in het Keniaanse toerisme. Een reden om je zorgen te maken. Want doorgaans is de EU vooral bezig met het aanboren van nieuwe markten voor haar eigen bedrijven. Dat heet "de Lissabon agenda." Zo speelt de EU een voortrekkersrol in het GATS (Algemeen akkoord inzake de handel in diensten) akkoord waarbij landen in het zuiden verboden wordt om buitenlandse investeerders een strobreed in de weg te leggen. En ja, toerisme wordt daarin gedefineerd als een dienst die door toerisme ontvangende landen wordt geleverd. Op het weblog http:\\duurzaamtoerisme.blogspot.com hebben we daarover al verschillende keren bericht.

Schoofs stipt heel terecht aan als Belangrijkste pijnpunt: alle meerwaarde die door de industrie wordt opgestreken blijft in het westen. De ontvangende landen krijgen enkel de kruimels. Erger nog is dat de controle op de toerismestroom haast volledig ligt bij de touroperators die voor een groot stuk bepalen of er toeristen komen of niet: het is hun marketingmachine die de toeristen lokt, ze beheersen vaak ook de luchtvaartroutes enz.

Landen in het zuiden moeten de kans krijgen een eigen toeristische infrastructuur uit te bouwen, in samenspraak met alle betrokkenen: de lokale bevolking en directe omwonenden, de belastingbetaler in het ontvangende land, lokale ondernemers, ngo's die met milieu, democratisering en duurzame ontwikkeling bezig zijn. Er bestaan reeds heel wat voorbeelden van goede projecten - het is dus wel mogelijk.

zaterdag, maart 03, 2007

Een toeristische sector, grootste bron van ontwikkeling voor arme landen?

Het Wereld Economisch Forum vindt dat "ontwikkelingslanden het grootste potentieel hebben om een toeristische sector te ontwikkelen." Zo meldde vrijdag 2 maart een IPS bericht. Wat bedoelen ze daarmee? Hebben ze het echt over een nieuwe bron tot ontwikkeling voor de ontwikkelingslanden? Of bedoelen ze eigenlijk gewoon nieuwe markten die klaar liggen om ingepikt te worden door Westerse bedrijven die in de sector actief zijn? Dat is namelijk al jaren de realiteit. De grootste bedrijfssector ter wereld wordt voor 80% beheerst door welgeteld vier multinationals: Airtours, Thomson, First Choice en Tomas Cook. Deze vier bedrijven romen het grootste gedeelte van de winst af voor de landen waar ze hun klanten naar toe sturen. En dat is bij uitstek het geval in ontwikkelingslanden.

Enkele jaren geleden, bij het opstarten van de GATS-onderhandelingen (Algemeen Akkoord over Handel in Diensten) dook het toerisme als sector op in de teksten. Na de liberaliseringsrondes voor de handel in goederen waren diensten aan de beurt. Geheel in de neoliberale geest van de WTO-onderhandelingen mogen ontwikkelingslanden geen strobreed in de weg leggen van de internationale toerisme-moghuls. Zo zouden ze hun eigen ondernemers niet mogen beschermen. Milieubeschermende maatregelen, maatregelen die cultuur e.d. beschermen zijn "onnodig handelsbelemmerend." Slechts één regel: vrije markttoegang voor iedereen... Wanneer dus het Wereld Economisch Forum spreekt over het "toeristisch potentieel van ontwikkelingslanden," dan hebben deze laatste alle reden om zich zorgen te maken.

Neem nu het -weliswaar extreme- voorbeeld van de cruise-industrie. Die wordt haast volledig beheerst vanuit Miami en enkele Europese steden. De bedrijven controleren alle aspecten van de reis. Toeristen betalen hun reis op voorhand. Op de eilanden zelf geven ze weinig meer uit dan schnabbels, als ze überhaupt al van boord gaan. De cruise-industrie forceert de lokale overheden om een dure haveninfrastructuur aan te leggen. Daarvoor gaan ze leningen aan op kosten van de belastingbetaler, in dit geval de verarmde eilandbewoner. Voor die investeringen krijgt het eiland nauwelijks iets terug. Alle voedsel voor de cruisetoerist wordt ingevlogen of meegenomen uit het vertrekpunt. De cruisetoerist eet en drinkt aan boord, zelfs souvenirs koopt hij vaak aan boord. Wanneer een eiland probeert belastingen te heffen op de schepen die zijn havens aan doen kan het bedrijf eenvoudig beslissen om het eiland niet meer aan te doen. Ondertussen verkommert de dure haveninfrastructuur... Milieugewijs is de balans ronduit negatief: de reuzeschepen spoelen op volle zee hun brandstof tanks, ze dumpen al hun afval in het water en ze varen fragiele koraalriffen stuk.

Voor de succesvolle all-inclusive formule is de lokale economische balans al niet veel beter: hier zijn de investeringen voor de lokale overheden vaak nog groter: er dienen vliegvelden aangelegd, wegen en nutsvoorzieningen - zaken waar de lokale bevolking overigens niet echt van profiteert want ze zijn exclusief op de toeristische infrastructuur gericht. Ook de lokale markten profiteren niet van de megacomplexen want alle voedsel wordt ingevlogen en toeristen wordt afgeraden om het hotel te verlaten. Enkele uitzonderingen daargelaten (o.m. Cuba) dwingen de toerisme-moghuls uiterst gunstige belastingrégimes af bij de lokale overheden. Bovendien controleren ze ook de vliegtuigmaatschappijen en dus de routes. Voor een eiland dat net een dure luchthaven heeft gebouwd is het een financiële ramp wanneer charters niet meer komen.

De all-inclusive formule maakt ondertussen steeds meer opgang. De toerist omarmt massaal de idee: je betaalt bij reservatie één enkele prijs voor je hele vakantie. De touroperators maken winst op elk aspect van de reis, ze strijken de volledige meerwaarde op van het economisch product. De toerisme ontvangende landen zijn veroordeeld tot het aanleveren van goedkope arbeid en het betalen van de kosten. Deze laatste overstijgen ruimschoots de baten van de schaarse werkgelegenheid.

Dit scenario zie je ook meer en meer opduiken in arme landen in Afrika en Azië. Vooral in landen die niet de middelen hebben om een eigen toeristische infrastructuur uit te bouwen die voldoet aan de hoge eisen van de Westerse toerist.

Het kan nochtans anders. Op vele plaatsen zien lokale toeristische initiatieven het licht. Dat kan gaan om charmante vissersdorpen die het toerisme in eigen handen nemen: ze zetten gemeenschappelijke activiteiten op, bouwen zelf de nodige infrastructuur zoals een lokale herberg en restaurant. Ze leggen ook regels op die het natuurlijk evenwicht helpen bewaren en bepalen quota voor het maximaal aantal toeristen dat hun dorp aan kan. Of het kan gaan om ecologische hotels in het woud, die uitgebaat worden door en voor de lokale bewoners. Maar ook bekende monumenten kunnen op zo'n manier beheert worden dat de lokale gemeenschap en bij uitbreiding de belastingbetaler van het land in kwestie er echt van profiteert.
Natuurlijk zal het helpen als landen in het zuiden de kans krijgen dergelijke initiatieven te steunen. Ze moeten een regelgevend kader kunnen opstellen dat de ontwikkeling van een eigen toeristische sector ondersteund en participatie van de lokale bevolking bevordert. Ze moeten een beleid kunnen voeren dat fragiele ecosystemen beschermt. En wanneer buitenlandse bedrijven willen investeren moeten voldoende waarborgen ingebouwd worden voor lokale winstdeelname. Alleen wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, kan er sprake zijn van een echt potentieel aan ontwikkeling voor ontwikkelingslanden..

[Deze opinie verschijnt op 6 maart op de nieuwssite www.mo.be]

Lees ook: Sterke groei toerisme in Afrika

woensdag, juli 12, 2006

Zuid-Afrika wil meer zwarte toeristische ondernemers

Twee jaar geleden stelde minister Marthinus van Schalkwyk van Zuid-Afrika een Toeristische Raad in die moet werken aan betere participatie van de zwarte bevolking in de toeristische sector. “Toerisme is de sector waar tot nu toe het minst is veranderd als het gaat om participatie van de zwarte bevolking”, zegt Tami Sokutu, voorzitter van de raad. De raad heeft volgens Sokutu de opdracht gekregen ervoor te zorgen dat in 21 procent van de toeristische sector in 2009 in handen is van zwarten. In 2010 zal de toeristenindustrie in Zuid-Afrika extra in de kijker staan, omdat het land dan gastheer is van het WK-voetbal.

dinsdag, september 13, 2005

Kameroen wil inzetten op toerisme

Toerisme is voor veel Afrikaanse landen een aantrekkelijke inkomstenbron. Bekende toeristenbestemmingen als Zuid-Afrika, Egypte, Kenia, Tanzania en Botswana staan al jarenlang stevig op de kaart. Andere landen willen zich ook graag als een toeristische bestemming ontwikkelen. Een van die landen is Kameroen.

Afgelopen week heeft in hoofdstad Yaoundé de derde National Tourism Board plaatsgevonden, voorgezeten door minister president Ephraim Inoni. In zijn openingstoespraak benadrukte hij het belang van toerisme voor de ontwikkeling van Kameroen. Hij zei dat toeristen die Kameroen bezoeken betoverd worden door al het moois dat Kameroen toeristen te bieden heeft. Tegelijkertijd zijn er tal van problemen die de ontwikkeling van toerisme belemmeren. Inoni noemde onvoldoende gastvrijheid naar toeristen toe bij zowel de Kameroenese bevolking als ook bij het ambtenarenapparaat, onveiligheid, de moeilijkheden bij het verkrijgen van een visum, het grote aantal roadblocks en een te lage kwaliteit van vervoer, hotels en restaurants.

Het zou al helpen als er meer inspanningen werden gedaan naar het betrekken van de bevolking bij al die plannen.

woensdag, november 24, 2004

Geen pakketjes onder tafel

http://allafrica.com/stories/200411160703.html

Mussa A. Silima, minister van handel, industrie, marketing en toerisme van Zanzibar, vindt dat massa-toerisme schadelijk is voor milieu en economie van zijn eiland. Zo stond het op 16 november in de East African, een Keniaanse krant. Zanzibar hoort bij Tanzania en is één van de grootste toerismetrekkers voor het Oost-Afrikaanse land. 100.000 toeristen van meer dan 100 verschillende landen zakken jaarlijks af naar het paradijselijke eiland.
De minister had het over “de vele toeristen die zeer weinig betalen in goedkope hotelletjes die geen 5 sterren accommodatie bieden.” Het probleem, nog steeds volgens minister Silima is dat “deze toeristen zeer weinig betalen maar dat hun hotelletjes evengoed het milieu belasten.” En verder: “de inkomsten van dergelijke toeristen zijn veel te weinig om het milieu te herstellen of te beschermen.”

De minister gaf hier verschillende boodschappen: hij heeft iets tegen toeristen die weinig geld uitgeven; Hij wil meer inkomsten om het milieu te beschermen; Kleine hotelletjes belasten het milieu evenveel als 5 sterren ressorts…
Alvast dat laatste is manifest onjuist. Zoals vele studies al aangetoond hebben, zijn exclusieve hotels echte slokkoppen op energiegebied, ze putten lokale energiebronnen uit met een bovenmatige consumptie van water en elektriciteit. Dergelijke hotelcomplexen eisen ook grote investeringen in basisinfrastructuur van de lokale overheid, die daarvoor zware leningen aangaat. De intresten op die leningen komen steevast ten laste van de belastingbetaler. Aan de inkomstenzijde is het een mager plaatje. De winsten zijn voor rekening van de buitenlandse investeerder die doorgaans zeer gunstige belastingtarieven heeft kunnen afdwingen. De Westerse bedrijven achter deze hotelketens zijn zeer machtig en tegen hun onderhandelingspositie kan geen lokale regering van een derde wereld land tegenop.
Ook de lokale economie profiteert nauwelijks want de meeste van deze hotels laten hun voedsel en andere producten invliegen. De toeristen zelf spenderen slecht een habbekrats in de lokale souvenirwinkeltjes. Wat blijft erover? Een weinig tewerkstelling, maar enkel voor de laaggeschoolde en slechtbetaalde jobs.

Is het dan zo dat grote ressorts meer verantwoordelijkheid aan de dag leggen voor het milieu dan hun kleine concurrenten, de meestal door lokale families uitgebaatte kleine hotelletjes? Neen, de grote hotelketens laten zich weinig gelegen aan hoe het landschap rond hun terreinen eruit ziet. Ze hebben niet echt een band met het land. Tenzij ze eigendom zijn van een bedrijf dat ethiek of duurzaamheid hoog in het vaandel draagt, tellen alleen de cijfers. Wanneer hun investeringen afgeschreven zijn, en vóór de renovatiekosten beginnen te komen, zullen ze vaak het uitgeleefde complex van de hand doen en elders investeren. De familiehotelletjes daarentegen, hebben wel een band met het land. Het is hún land, en als ze enigzins gestuurd worden, willen ze wel inspanningen leveren om het milieu en het landschap te beschermen. Ze zijn ook ingebed in de lokale samenleving en kunnen de mensen mee responsabiliseren om verantwoordelijk om te springen met hun omgeving.
Helaas is de armoede vaak een spelbreker, want mensen die dagelijks moeite hebben om rond te komen kan je moeilijk sensibiliseren voor het milieu. Maar hier precies kan toerisme een rol spelen. Het kan de middelen opleveren om mensen de macht te geven om dingen te veranderen.

In plaats van rond de tafel te gaan zitten met dure buitenlandse investeerders, kan de minister beter met zijn eigen bevolking gaan praten. Lokale ondernemers aanspreken, dorpsraden bijeen brengen, een plan voor lokale duurzame ontwikkeling opstellen. En daar is ruimte voor buitenlandse touroperators, maar enkel gebonden aan een deftige regelgeving en de nodige garanties dat er wat van de winsten ten goede komen aan de gemeenschap. Essentieel is overleg en participatie van de lokale bevolking, eventueel met hulp van specialisten. Wat nodig is, is een proces naar duurzame ontwikkeling waar iedereen zijn steentje in kan bijdragen en waar iedereen dan ook later mee de vruchten van draagt.

Natuurlijk levert die strategie op korte termijn weinig op, zeker geen hoge omzetcijfers voor het opsmukken van een nationale handelsbalans. Ook geen grote prestigeprojecten waar je rijke buitenlandse vrienden kan laten logeren. En zeker geen pakketjes onder tafel. Heel sneu voor een minister zonder budget in een staat die voortdurend over de rand van het failliet wankelt.

Het is een moeilijk leven, dat van een minister voor toerisme in een Afrikaans land. Maar een minister wordt niet betaald noch gemandateerd om het makkelijk te hebben.

maandag, augustus 18, 2003

GATS: Duurzaam toerisme is “onnodig handelsbelemmerend.”

Vakantie ! Wat zien we er telkens weer naar uit. Op reis, de wijde wereld in, ver of dichtbij doet er niet toe, als we maar even uit de dagelijkse sleur kunnen, nieuwe horizonten verkennen, genieten van de zomerse buitenlucht … Ondanks die ene slechte ervaring die iedereen al wel eens gehad heeft zullen de meesten onder ons aan de voorbije reis vooral positieve associaties overhouden. En dat is voor een groot deel te danken aan de diensten van een snel groeiende economische sector die ervoor zorgt dat je reis overal ter wereld vlot verloopt. Een opsteker voor landen in het zuiden, zal je zeggen, want ze krijgen hiermee toch behoorlijk wat inkomsten binnen. Maar dat is helaas fout. Want het overgrote deel van de sector is in westerse handen. En er is een zorgwekkende ontwikkeling op til die de scheve verhoudingen verder uit balans dreigt te trekken. Die ontwikkeling wordt aangeduid met één letterwoord : GATS.

Ga maar na : vliegtuigticket, transport ter plaatse, verblijf (slapen en eten), gebruik van sportfaciliteiten, souvenirs, entreegelden van bezienswaardigheden, inhuren van gidsen enz. Allemaal slokken ze grote brokken van je vakantiebudget op. En niet te vergeten, een hele reeks andere diensten die ook profiteren van jouw reis : financiële diensten (geldwisselaars, kredietkaart- en andere netwerken), communicatiediensten, aankoop van speciaal reismateriaal (zeg maar AS-Adventure en dies meer), reisgidsen en kaarten, allerlei taksen, visakosten enz. Al deze diensten stellen een pak mensen te werk en zijn een niet te onderschatten bron van inkomsten voor de ontvangende landen – voor nogal wat landen zelfs de voornaamste. De meeste ontwikkelingslanden hebben dan ook een handelstekort in de dienstensector (ze voeren meer in dan ze uitvoeren), behalve in twee sectoren :
1) de toeristische sector, waarvan de groei vooral lijkt te komen van de toegenomen interesse voor exotische bestemmingen en de afgenomen transportkosten.
2) Het geld dat migranten opsturen naar hun families die achterbleven

De toeristische krachtpatsers
Maar nu het slechte nieuws : in de toeristische sector controleren welgeteld 4(!) bedrijven 80% van de wereldmarkt : Airtours, Thomson, First Choice en Tomas Cook. Deze vier multinationals romen dus het grootste gedeelte van de winst af voor de landen waar ze hun klanten naar toe sturen. De grote concentratie is het gevolg van de enorme hoeveelheden kapitaal en de uitgebreide netwerken die nodig zijn om de technologische voorsprong te behouden, om een uitgebreid net aan diensten te kunnen leveren en om de schaalvoordelen op peil te houden. De trend van fusies en overnames heeft de positie van deze grote spelers nog versterkt. Want met hun economische macht beschikken ze ook over een sterke onderhandelingspositie naar de diverse overheden toe. Zo kunnen ze bij lokale overheden enerzijds gunstige belastingrégimes afdingen en anderzijds eisen stellen naar basisinfrastructuur : moderne luchthavens met degelijke incheckfaciliteiten, aanvoer van nutsvoorzieningen naar toeristische centra, vaak in energiearme gebieden, wegenaanleg naar die centra die meestal verder geen economisch nut hebben. Stuk voor stuk investeringen die handen vol geld kosten en waarvoor het land in kwestie dure leningen moet aangaan bij westerse banken. Buiten wat werkgelegenheid voor laaggeschoolden heeft de lokale bevolking er weinig of niets aan.
De multinationals wenden hun sterke positie nog op andere plaatsen aan. Onder meer op internationale fora zoals de WHO (Wereld handel organisatie). In deze machtige organisatie worden afdwingbare regels opgelegd aan het internationale handelsverkeer, bovendien beslechten ze ook handelsgeschillen op basis van deze regels. Het grootste probleem met deze organisatie is haar illegitimiteit en de manier waarop de regels die ze bepaald tot stand komen. De WHO bestaat niet uit verkozen vertegenwoordigers van de aangesloten volkeren. Alle beslissingen worden er genomen door technocraten die in opdracht van regeringen afdwingbare regels uitvaardigen waar naar alle aangesloten landen zich moeten schikken op straffe van zware boetes, het niet uitkeren van leningen door IMF en Wereldbank enz. Bovendien zijn die regels steeds heel complex en uitgebreid, worden ze genomen in kleine achterkamertjes, is er geen enkele democratische controle en kunnen ze niet ongedaan gemaakt worden. Als je dan weet dat de meeste landen uit het zuiden met moeite één of enkele mensen kunnen afvaardigen terwijl Europa en de Verenigde Staten steeds een delegatie van enkele honderden specialisten naar de onderhandelingsronde sturen. Die enkele vertegenwoordigers moeten dan het hele scala aan behandelde onderwerpen beheersen en proberen aanwezig te zijn op de tientallen vergaderingen die overal tegelijk plaats vinden. Pogingen van ontwikkelingslanden om zich te verenigen tegen de overmacht hebben tot dusver niet veel opgeleverd omdat de individuele druk vanwege de economische grootmachten om regels goed te keuren erg groot is.
De volgende onderhandelingen in Cancun, Mexico, van 10 tot 14 september zijn cruciaal. Ze gaan over de liberalisering van de diensten, en daarmee bedoelen we wel degelijk alle diensten: ook watervoorziening, onderwijs, gezondheidszorg enz. De ondertussen beruchte GATS (General Agreement on Trade in Services) is een akkoord dat haast vanzelfsprekend geschreven is op maat van de Europese en Noord-Amerikaanse industriële lobbygroepen. Onder meer voor het toerisme, de belangrijkste bron van inkomsten voor vele arme landen, tekent zich een echt doembeeld af.

Water voor de toeristen
La Lorena op het schiereiland Guanacaste in noordwest Costa Rica is een waar tropisch paradijs. De toeristische industrie bloeit. Maar achter de kustlijn gaat het leven als vanouds zijn gang. Of toch bijna… In augustus 2000 werden een aantal dorpen opgeschrikt door de bouw van een pijplijn naar de kust toe. Een hotelcomplex was heel diepe putten aan het graven in de ondergrondse waterreserves met de bedoeling om dat water naar de hotels te brengen, voor het onderhoud van tuinen en golfterreinen en voor de toeristische industrie.
Het hotelbedrijf had de toestemming van de lokale overheid maar niet van de nationale overheid. Nochtans moest die toestemming eerst bekomen worden. De toestemming gold voor 60 liter per seconde - de pijplijn is goed voor 350 liter per seconde. Guanacaste is een droge zone met zeer weinig regenval. De plaatselijke bevolking heeft leren omgaan met die droogte. De mensen vragen zich af hoe hun vertegenwoordigers de toegang konden geven om dit water te gebruiken zonder eerst de bevolking te consulteren. Momenteel kan een land markttoegang geven in de toeristische sector en bepalen dat er maar een beperkt aantal cruiseschepen in bepaalde kwetsbare gebieden mogen varen of eisen dat er een lokale kapitaalinbreng van 51% moet zijn (Denk aan Cuba, dat momenteel overleeft dankzij de inkomsten van het toerisme). Een land kan zelfs monopolies in stand houden.

GATS in een notedop:
In termen van het dienstenakkoord valt toerisme onder “modus 2,” wat wil zeggen dat bvb Indonesië toeristische diensten verkoopt aan buitenlandse toeristen. Het land ‘exporteert’ dus een dienst, alhoewel de gebruiker van die dienst (de toerist) zich naar Indonesië toe begeeft. In het opzet van de GATS moeten alle diensten geliberaliseerd worden. Dat wil zeggen privatisering, vrije markttoegang zonder beperkingen en geen beschermingsmaatregelen om wat voor redenen ook, ecologisch, sociaal of gewoonweg om de eigen industrie te beschermen. Al deze beschermingsmaatregelen worden letterlijk omschreven als “onnodig handelsbelemmerend.” Een land wil een investeerder verplichten lokale werknemers in dienst te nemen? Of het wil broze ecologische gebieden beschermen door toeristische exploitatie in te perken? Of zelfs akkoorden afsluiten met een inheemse bevolkingsgroep zodat deze haar rituele gronden beschermd zou zien? Vergeet het: “onnodig handelsbelemmerend.” Met andere woorden: het hele akkoord legt de weg open naar een uitverkoop aan de multinationals en is een ontkenning van het hele gedachtegoed dat aan de basis ligt van Duurzaam Toerisme. De praktijk leert overigens dat veel landen in de voorafgaande onderhandelingen niet veel acht geslagen hebben op de draagwijdte van die markttoegang. In de EU hebben alleen Spanje, Griekenland, Portugal en Italië voorbehoud gemaakt bij de markttoegang in de toeristische sector en de kleinhandel, en dan nog enkel voor historische en artistiek waardevolle sites, niet voor waardevolle landschappen of biotopen. De kans is dan ook groot dat overheden de toevloed van hotels of souvenirwinkels in bepaalde gebieden niet zullen kunnen beperken. Hetzelfde valt te vrezen voor het beslag dat grootschalige toeristische projecten leggen op het schaarse water om hun plantsoenen, zwembaden en golfterreinen te voorzien. Ze hebben m.a.w. geen uitzonderingen aangevraagd en laten dus de GATS binnen dringen in hun binnenlandse wetgeving.
Neen, het grootschalige protest tegen de WHO-onderhandelingen is geen product van een stelletje wereldvreemde naïevelingen, het gaat om een regelrechte machtsovername. En wat het toerisme betreft, het zou wel eens kunnen dat onze manier van reizen hier even goed op het spel staat, naast het inkomen van al die duizenden mensen in het zuiden waar we, elke reis weer, mee samenwerken.